Daar is het zo slecht nog niet mee gesteld.

Hét hartverwarmende moment van de week: zaterdag, koud maar zonnig weer, dus even naar het strand. Helemaal naar beneden een vrij steile en lange helling. Naar beneden is altijd makkelijk, omhoog gaat wel zelf maar is een behoorlijke training. Even van het zonnetje en de zeewind genieten en weer terug omhoog. De helling blijkt wat steiler dan verwacht en de verzuring zet al gauw in. Ik ben van plan om het helemaal zelf te gaan doen (koppig als ik ben), maar op driekwart vorder ik nog maar met twintig centimeter per slag.

Dan hoor ik voetstappen en kijk op. Twee jochies van drie turven hoog, een jaar of 7 á 8, komen me al pokémon-spelend tegemoed. “Moeten we helpen meneer?”, vraagt er eentje. Eigenlijk wil ik “Nee hoor dankje, dit is goed voor mijn conditie” zeggen (had ik al vermeld dat ik koppig ben?), maar mijn verzuurde schouders voorkomen dat. “Nou als jullie met z’n 2en een zetje willen geven, graag”. Met twee paar handjes op mijn rugleuning gaan de laatste meters net wat makkelijker. “Dat gaat een stuk makkelijker zo”, zeg ik. “We helpen graag mensen” hoor ik een van de twee achter me zeggen, zo nonchalant en vanzelfsprekend als het maar kan..
Boven aangekomen draai ik me om, steek m’n duim op en zeg “Dankjewel jongens!”.
“Alstublieft meneer. Doei!” zeggen ze en beginnen nogmaals aan de wandeling naar beneden. 

Mijn vertrouwen in de jeugd is weer wat gegroeid