De regen plenst, de wind waait hard, de stad is nat en grijs

Mensen haasten zich te voet of te fiets van werk of school naar huis, half verzopen of ingepakt in lagen kunstof.

De een vloekt en moppert, overvallen door de hoeveelheid regen. De ander peddelt moedig tegen de wind in, goed voorbereid warm gehouden door regenpak of poncho.

Thuis wacht een partner met een bemoedigend ‘kom maar, ik gooi het natte goed wel in de droger voor je’.

Misschien wacht er een vader of moeder met een droge handdoek, een bezorgd ‘Ach kind toch’ en vervolgens een warm kopje thee met een koekje.

Straks is men thuis, droog en warm. Dan kijkt men naar buiten en ziet hoe fietsers en voetgangers natregenen en wegwaaien en denkt “Wat een weer…”